Verslag marathon Rotterdam door Miriam van Reijen
Het is een 30 minuten voor de start van de 30e editie van de Rotterdam marathon. Inge de Jong, Merel de Knegt, de Belgische Xenia Luxem en ik zitten elkaar met gespannen koppen aan te kijken. “Als je moet poepen niet van het parkoers af hé?”, zeg ik gekscherend tegen Inge, “dan word je gediskwalificeerd! Dan maar even snel langs het randje.” “Zou je dat doen”, vraagt Inge me. “Ja, als het zou moeten”, zeg ik instinctief, “dan zou ik het doen, een minuut van schaamte maar dat is beter dan uit te moeten stappen.” Dat ik me later die dag aan mijn woord heb moeten houden had ik toen nog niet kunnen vermoeden.
Om 10.40 worden we naar de start begeleid. Op het moment dat de deur van het WTC opengaat krijg ik kippenvel. De stad pulseert door de honderdduizenden mensen. Nog voordat we één stap hebben gezet krijgen we al applaus terwijl we de trap aflopen. Ik knijp Inge even in haar hand; mooi he, dit.
Wat versnellingen, de laatste slokjes sportdrank. Mijn gedachten vliegen over de 42km die komen gaat; het avontuur gaat beginnen.
Ik heb de beschikking over twee hazen. Simon Beemsterboer die tot 15km het tempo aan zal geven en Gert Jan Wassink, die van plan is om me tot in ieder geval 30km te brengen. Na de eerste paar kilometer vormt er zich al gauw een groep. Onder andere de Brits blade runner Richard Whitehead bevindt zich in de buurt. Mijn lichaam lijkt het tempo te herkennen. Om de zoveel tijd ga ik alles in gedachten af; ademhaling, houding, paslengte. Ontspan, ontspan, deze fase is het vooral een kwestie van energie besparen en mijn geduld bewaren. Of zoals mijn trainer Rob Veer het net voor de wedstrijd nog zei; ‘30 km inhouden en daarna 12 km volhouden’. Bij de eerste drankpost gaat het even mis. Een van de vrijwilligers staat klaar met mijn bidon, ik strek mijn arm, reik naar de fles maar mis. Terwijl ik me omdraai om de fles op te pakken gebiedt de jongen me door te lopen. Na 100 meter komt hij naast me rennen en geeft me alsnog mijn bidon. In gedachten bestempel ik hem direct tot mijn held van de dag.
Ik weet dat Rob tweehonderd meter na elke drankpost langs de kant staat. We zeggen niets maar kijken elkaar even aan; het is goed, ik voel me goed.
Na 10 kilometer begint er iets te rommelen in mijn maag. Niet direct reden tot zorg. Het gebeurt vaker, ik weet hoe ik het moet blokken, denken aan andere dingen en soms gaat het weer weg. Terug naar mijn bodycheck, concentreren op de drankposten, aansluiting bij de groep houden. Simon bewaart strak het beoogde tempo. Gert Jan ontpopt zich als de ideale coach en weet me al rennend met een paar woorden telkens scherp te houden.
Bij kilometer 15 begint mijn maag steeds hardnekkiger de aandacht te vragen. Ik speel een spelletje met mezelf. Hoelang kan ik er niet aan denken. Maar vier kilometer later moet ik me dan toch gewonnen geven. Ik moet nú een keuze maken. Even stoppen en de aansluiting met de groep verliezen of doorlopen met de consequentie dat ik de controle over mijn ontlasting verlies. Ik weet uit ervaring dat als ik één keer stop er een mogelijkheid is dat mijn maag even later weer opspeelt. Ik wik en weeg en weet het nog twee kilometer uit te stellen maar dan neem ik een besluit; Ik heb hier hard voor getraind. Failure is not an option. Wetend dat mijn ouders, familie en vriendinnen langs de kant staan is bovendien een extra motivatie. Maar direct na mijn besluit gebeurt waar ik voor vreesde en moet ik mijn ontlasting laten lopen. Het zal tijdens de race nog een paar keer gebeuren. Schaam ik me? Ja. En nee. Ik probeer er niet te veel aan te denken en me te concentreren op de opluchting; Ik kan weer voluit lopen en mijn pas afmaken. Tussen de groep en mij heb ik ondertussen een gat laten ontstaan. Met behulp van Gert Jan weten we een paar keer weer aan te sluiten maar telkens moet ik me weer een stukje terug laten zakken. Vanaf kilometer dertig, als we heuvelaf door het Kralingse Bos rennen moet ik ze echt laten gaan. Toch is dit een heerlijk stuk van de race. Ik geniet echt van het lopen, het ritme, de cadans, hoe mooi het is als je lichaam doet wat je wilt dat het doet. Voordat ik het weet zijn we bij kilometer 35. Nu is het echt aftellen. Gert Jan is nog steeds bij me en biedt aan om tot 40 kilometer bij me te blijven. Hij blijft onverstoord tegen me praten, duwt me vooruit en weet precies de juiste woorden te vinden om me te doen vechten. Het zicht op Inge de Jong, die zo’n 30 seconden voor me loopt geeft me bovendien een mooi doel. Bij 41 kilometer laat Gert Jan me gaan; En nu alles geven. Ik voel de glimlach al op mijn gezicht komen maar probeer het nog even tegen te houden, eerst volhouden en aanzetten. Als ik de finishklok zie voelt het laatste stukje als vliegen, al die mensen. 2h41.24, wat sneller dan een half jaar geleden en brons!

Extras